Bibob

07/08/2017

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur beoogt ongewenste facilitering door de overheid van criminele activiteiten te voorkomen. De Wet Bibob geeft bestuursorganen de bevoegdheid bij hun besluitvorming over vergunningverlening, aanbesteding,
subsidieverlening en vastgoedtransacties het risico van misbruik op grond van strafrechtelijke fouten van betrokkenen in het (recente) verleden te betrekken.

Het uitvoeren van een Bibob-toetsing is geen plicht, het is een bevoegdheid. Indien al voldoende informatie voorhanden is en de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat een Bibob-toetsing geen nieuwe informatie zal opleveren, kan een toetsing achterwege blijven en kunnen derden dat ook niet afdwingen. Overigens is de ‘Bibob-beroepsgrond’ geen beroepsgrond die een rechter zal passeren op grond van artikel 8:69a Awb. De Wet Bibob ziet op het algemene belang van bescherming tegen criminelen en dat strekt zich uit tot belangen van een ieder (althans, zie recent ECLI:RBZWB:2017:4372).

Ten behoeve van de inschatting van deze risico’s van crimineel misbruik kan het bestuursorgaan advies vragen aan het Landelijk Bureau Bibob (verder: het Bureau). De persoon die een vergunning aanvraagt kan derhalve worden geconfronteerd met een complete screening van zijn naam en van personen waar een zakelijk verband mee bestaat, in onder meer politieregisters en belastinggegevens.

Het gevolg van een negatief advies kan zijn dat een vergunning of subsidie kan worden geweigerd of ingetrokken. Het advies van het Bureau behoeft niet opgevolgd te worden, het bestuur heeft een zekere beleidsvrijheid ten deze. De rechtspositie van de betrokkene is beperkt tot het afwachten van het advies en het besluit waar het advies op ziet. Een zelfstandige procedure tegen het advies is niet mogelijk. Bezwaar en beroep staan open tegen de uiteindelijke beslissing, die op grond van het advies is genomen.

Alvorens een bestuursorgaan aan de hand van het Bibob-advies en haar eigen beoordeling een negatieve beslissing neemt, stelt het de betrokkene op grond van art. 33 Wet Bibob wel in de gelegenheid zijn zienswijze omtrent het advies te geven.

De rechter toetst de beschikking zoals gewoonlijk marginaal, rekening houdend met de beleidsvrijheid van het bevoegd gezag. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, (zie onder meer de uitspraak van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2910) mag het bestuursorgaan in beginsel op een advies van het Bureau afgaan. Het moet zich er wel van vergewissen dat het advies en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en uitgevoerd en de feiten de conclusies kunnen dragen.

Gelet op de allesbepalende gevolgen die een negatief advies voor een ondernemer kan hebben, is het zaak om bij een negatief advies reeds bij de zienswijze te trachten de besluitvorming positief te beïnvloeden.