Eerste wijziging LAP3 en (potentiële) ZZS

15/03/2019

Binnenkort zal staatssecretaris Van Veldhoven een eerste wijziging van het LAP3 doorvoeren. Daarmee zal vrees ik nog geen oplossing worden aangedragen voor de bij afvalverwerkingsbedrijven heersende onrust over de handhavingspraktijk ten aanzien van (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen (ZZS).

Sinds het LAP3 (inwerkingtreding op 28 december 2017) is het vereist dat vergunninghouders en het bevoegd gezag zich bij het aanvragen van vergunningen of meldingen met betrekking tot afvalhandelingen de vraag stellen of de kans op aanwezigheid van ZZS bestaat. Er zijn echter meer dan 1400 ZZS naast een afzonderlijke lijst potentiële ZZS en het is ondoenlijk om na te gaan of al die stoffen in sporen voorkomen op of in afvalstoffen (deze sporen kunnen geen enkele link hebben met de afvalstof zelf en bijvoorbeeld via depositie van diffuse emissies op stoffen en in grond voorkomen). Dat zegt ook het beleidskader B14.

In de handhavingspraktijk wordt net gedaan alsof afvalbedrijven ook al vóór 28 december 2017 met dit beleid rekening hadden moeten houden.  Bedrijven met een vergunning van vóór het LAP3 wordt verweten zonder vergunning te handelen omdat sporen ZZS in het afvalwater zijn gedetecteerd. Dat lijkt me strijdig met de rechtszekerheid en dat klemt te meer omdat eerst sinds 2018 een Handreiking risicobeoordeling ZZS bestaat  om ongeveer te bepalen welke ZZS in afval aangetroffen kunnen worden en daarbij de normsteling ten aanzien van sporen (potentieel) ZZS in afvalstoffen of te lozen afvalwater ook niet altijd duidelijk zijn.

Ten aanzien van potentiële ZZS heeft een afvalverwerkingsbedrijf met de eerste wijziging van het LAP3 straks een ‘zorgplicht’. Maar het is niet duidelijk hoe deze plicht vervolgens dient te worden ingevuld.

Kortom, het lijkt me dat overheid en bedrijf in gesprek moeten gaan over het voldoen aan beleid ten aanzien van ZZS voordat ingrijpende  handhavingsinstrumenten worden ingezet die deugdelijke rechtsgrondslag ontberen.